Slachtoffers binnen jeugdzorg zeggen jarenlang te zijn mishandeld

Slachtoffers binnen jeugdzorg zeggen jarenlang te zijn mishandeld

Kinderen die in de jeugdzorg slachtoffer zijn geworden van kindermishandeling, zeggen dit jarenlang te hebben moeten ondergaan. Dat meldt de Commissie Onderzoek naar Geweld in de Jeugdzorg onder leiding van Micha de Winter.
Op verzoek van het kabinet doet Commissie-De Winter sinds vorig jaar november officieel onderzoek naar psychisch, fysiek en seksueel geweld in de jeugdzorg vanaf 1945. Het meldpunt kreeg sindsdien bijna zeshonderd meldingen binnen.

De meeste mishandelingen hadden plaats in de jaren 60 en 70 en bij de residentiële jeugdzorg en pleegzorg. Het ging vaak om een combinatie van psychisch en fysiek geweld, soms gepaard met seksueel misbruik. Uit het onderzoek blijkt dat meer dan de helft van de slachtoffers het geweld als kind niet heeft gemeld. ”Die mogelijkheid was er niet, of ze waren te bang om het te melden”, aldus de commissie.

Een groot deel van de slachtoffers geeft aan problemen te hebben op het werk, in de relationele sfeer en met sociale contacten. Ook hebben veel slachtoffers lichamelijke problemen aan het geweld overgehouden.

bron : nu.nl

Veilig Thuis onder vuur

Veilig Thuis moet kindermishandeling opsporen en kinderen bescherming bieden. Maar een echt veilig thuis lijkt het niet te zijn voor een grote groep boze ouders en kinderen. Het afgelopen jaar zwol de kritiek aan op Veilig Thuis en zusterorganisatie Samen Veilig. Ondanks die kritiek kijken verantwoordelijke wethouders in de provincie massaal de andere kant op. Maar dat gaat veranderen, nu raadsleden in Houten en Utrecht zich in de materie zijn gaan verdiepen. In 2019 krijgt Veilig Thuis eindelijk de politieke aandacht die het verdient.

Veilig Thuis is een fusie van het voormalige Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en het steunpunt Huiselijk Geweld. In de provincie Utrecht is de organisatie ondergebracht bij Samen Veilig Midden Nederland. Die biedt ook jeugdbescherming aan onder de naam SAVE.

FAMILIE GREGORIUS
De kritiek op Samen Veilig Midden Nederland en Veilig Thuis begint al in november 2017. De familie Gregorius uit Houten maakt zich boos over een ingreep van Veilig Thuis in het gezin. Ze worden ten onrechte beschuldigd van meerdere vormen van kindermishandeling. Ook de familie Leek in Utrecht maakt zich boos. Zij hebben letterlijk een doodzieke baby, maar een vertrouwensarts van Veilig Thuis denkt dat de ouders het kind ziek maken. De ouders komen in een Kafkaiaanse toestand terecht, terwijl ze zich eigenlijk zorgen willen maken over de gezondheid van hun kind.

Na berichtgeving op RTV Utrecht gebeurt er iets wat de redactie nog nooit eerder in die omvang heeft meegemaakt. Ruim tweehonderd ouders melden zich met verhalen die bol staan van de misstanden bij Veilig Thuis. Opvallend vaak komt de naam van één bepaalde vertrouwensarts van Veilig Thuis voorbij. Maar er zijn meer rode draden te herkennen. Zo liggen veel ouders in scheiding, en die verloopt zelden harmonieus.

CHANTAGE
Ook in de klachten is een rode draad te herkennen. Veel klagers schrijven dat Veilig Thuis niet aan waarheidsvinding doen. Roddels en aannames worden als feiten gepresenteerd. Soms staan er volstrekte onwaarheden in dossiers. En als ouders niet meewerken, dan worden ze extreem onder druk gezet, of zelfs gechanteerd. En dat gebeurt ook als Veilig Thuis of Samen Veilig helemaal geen wettelijke grond hebben om in te grijpen.

Ook onafhankelijke deskundigen mengen zich in het debat. Zo stellen relatiecoaches Bram en Helma de Blouw dat Veilig Thuis Utrecht ontlastende verklaringen uit een rapport heeft gehaald. De relatiecoaches reageren op een melding dat kinderen in een onveilige situatie zouden verkeren. De twee ontkrachte die stelling, maar de essentie van hun verklaring staat niet in het rapport van Veilig Thuis. Een woordvoerder van Veilig Thuis erkent dat een belangrijke zin is weggevallen, maar zegt dat het door een technische storing komt.

GEHAKT
Zelfs de rechter bemoeit zich met de zaak. Die stelt vast dat een rapport dat Veilig Thuis gebruikt niet goed is. In de zaak van de familie Gregorius wordt door Veilig Thuis een onderzoek gestart op basis van een rapport dat de gemeente heeft laten opstellen. De rechter maakt gehakt van dat rapport en beveelt dat er een nieuw onderzoek moet komen.

RTV Utrecht ontdekt dat er in Utrecht sprake is van een merkwaardige constructie. De merknaam Veilig Thuis komt in elke regio in Nederland voor. Maar het zijn allemaal aparte stichtingen, die niets met elkaar te maken hebben. In de provincie Utrecht is Veilig Thuis ondergebracht bij Samen Veilig Midden Nederland. Dat is een zogenoemde Gecertificeerde Instelling (GI). Zo’n GI biedt ook jeugdzorg aan. De combinatie van een Veilig Thuis met een GI is in de Utrechtse vorm uniek in Nederland. In enkele ander regio’s is Veilig Thuis ook ondergebracht bij een GI, maar de band is nergens zo innig als in Utrecht.

Maar er is meer, er is geen enkele Veilig Thuis die zo vaak naar een GI doorverwijst als Veilig Thuis Utrecht. Dat kan opgemaakt worden uit cijfers van het Centraal Bureau voor de statistiek. In feite verwijst Veilig Thuis dus opvallend vaak naar zichzelf. De organisatie ontkent dat en zegt dat de cijfers van het CBS niet deugen. De cijfers zijn overigens door Veilig Thuis zelf aan het CBS verstrekt. Ook de Utrechtse wethouder Victor Everhardt (D66) ziet geen enkel kwaad in de combinatie van de twee instellingen.

ZELFMOORD
Een dieptepunt in het dossier rond Veilig Thuis en Samen Veilig is de zelf gekozen dood van een kind. De vader van een zestienjarige jongen uit de regio Eemland verwijt Veilig Thuis dat zij hem de dood hebben ingejaagd. De vader verwijt SAVE ondeskundig handelen en een niet daadkrachtig optreden. Veilig Thuis krijgt een gevoelige tik op de vingers van de Inspectie Gezondheidszorg en jeugd.

ONDERZOEK
De klagende ouders krijgen in het najaar steun uit onverwachte hoek. Uit een onderzoek van de Hogeschool Utrecht blijkt onder andere dat een deel van de SAVE-medewerkers het niet zo nauw neemt met het zorgvuldig invullen van controlelijsten. De onderzoekers schrijven: “Uit de gesprekken met de professionals bleek dat de (verplichte) SAVE-veiligheidschecklist door een deel van hen geen actieve rol speelt in het beslisproces. Zij vullen deze in omdat het moet. Meer aandacht voor de relevantie van instrumentarium en hoe dit te gebruiken is wenselijk.” De onderzoekers hebben niet onderzocht wat hiervan de consequenties zijn voor het dossier. Ook op andere punten vinden ouders steun voor hun klachten in het rapport van de Hogeschool.

POLITIEK
Lang blijft het stil. Alhoewel lokale wethouders en de gemeenteraden verantwoordelijk zijn voor Veilig Thuis en Samen Veilig, komt er bijna geen reactie op de kritiek. Alleen een aantal lokale PvdA-fracties stellen vragen aan hun wethouder, maar dat levert niets op. Totdat één politicus in Houten zich met de zaak begint te bemoeien. SGP-raadslid Pascal Ooms hoort over klachten in zijn gemeente en eist van de wethouder dat er een onderzoek komt naar het functioneren van Samen Veilig Midden Nederland. Pascal Ooms: “Ik heb contact met vier verschillende cliënten van SAVE. Als ik met hen praat ontstaat het beeld dat er een aantal dingen misgaan. Dan hoor ik vooral klachten over de kwaliteit van de zorg en de bejegening van de cliënten door de medewerkers van SAVE.”

Ook in de stad Utrecht komt in het najaar iets los. Zowel de PVV als de PvdA merken dat het niet goed gaat bij Veilig Thuis. De Utrechtse partijen doen een oproep. Ook bij hen komen vervolgens tientallen mails en brieven binnen van ouders en andere betrokkenen. De raadsleden beschrijven die brieven als schrijnend. Andere partijen in de Utrechtse raad sluiten zich aan. En begin volgend jaar worden alle Utrechtse families door de gemeenteraadsleden ontvangen en worden de klachten geïnventariseerd. Daarna volgt wellicht een behandeling in de gemeenteraad van de problemen bij de instelling.

GEVILDE KAT
Een ander dieptepunt raakt Veilig Thuis zelf. De zeven maanden oud poes Kip verdwijnt op zondag 4 november uit de Watervogelbuurt in Utrecht. Een paar dagen later ligt de poes gevild op de stoep van Veilig Thuis in Overvecht. De vacht van de kat is door de brievenbus gepropt.

bron : MARC VAN ROSSUM DU CHATTEL https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/1863594/

JONGEREN IN DE BIJSTAND

JONGEREN IN DE BIJSTAND – TERECHT EEN APARTE DOELGROEP?

Jongeren hebben onder de Participatiewet een aparte status. In onderstaand artikel wordt beschreven op welke punten de regels voor jongeren afwijken. En worden de vragen waarom er andere regels gelden voor jongeren en of het onderscheid gerechtvaardigd is, behandeld. Het artikel eindigt met een advies hoe W&I kan bijdragen aan integraal werken voor jongeren. Want juist dat is, zeker voor jongeren, ontzettend belangrijk.

Waarom andere regels voor jongeren?

Op een aantal onderwerpen geldt binnen de Participatiewet voor jongeren van 18 tot 27 andere regels. Waarom is dat? Dit heeft te maken met – jawel – hun leeftijd. Ze hebben nog een lange toekomst voor zich en het is daarom voor hun extra van belang om te werken of naar school te gaan. Een bijstandsuitkering is met name voor deze doelgroep een tijdelijk vangnet dat zo kort mogelijk moet duren.

Dit is natuurlijk ook heel belangrijk, maar de vraag is of het altijd realistisch is. Doordat de Wajong is afgesloten voor jongeren die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, is de gemeente ook verantwoordelijk voor een kwetsbare doelgroep die eerder onder de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) viel. Deze jongeren hebben een beperking, maar zijn niet volledig of niet duurzaam arbeidsongeschikt. Het is overigens de vraag of dit stelsel volledig sluitend is. Dit omdat een aantal jongeren die volgens UWV niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, dat volgens de gemeente wel zijn. Daarnaast stromen er ook jongeren uit de Jeugdzorg door naar de bijstand. Dat zijn vaak jongeren zonder netwerk, die tot hun 18e verjaardag door een jeugdhulpverlener worden bijgestaan, maar het vanaf die dag helemaal alleen moeten redden. Of jongeren met forse schulden. Het gaat hier dus nadrukkelijk niet om gemiddelde jongeren.

Dus jongeren met beperkingen of jongeren die uit de jeugdzorg komen, kunnen soms wel gebaat zijn bij een bijstandsuitkering. Al is het maar omdat op die manier aan een duurzame (zelf)redzaamheid gewerkt kan worden! Met andere woorden, is de wens die aan deze scheiding ten grondslag ligt wel terecht?

Aanvraag

De aanvraag om een bijstandsuitkering gaat voor jongeren net iets anders dan voor 27-plussers. Zij melden zich om een uitkering aan te vragen, maar moeten vervolgens 4 weken zoeken naar werk of scholing. In die 4 weken hebben ze geen recht op ondersteuning bij het zoeken naar werk en geen recht op een voorschot.

Recht op bijstand

In een aantal gevallen hebben jongeren geen recht op bijstand, waar ouderen dat wel hebben. Hier zijn twee verschillende leeftijdsgrenzen te onderscheiden.

Jongeren van 18, 19 en 20 jaar

Jongeren van 18, 19 of 20 die in een inrichting verblijven hebben in het geheel geen recht op algemene bijstand, in tegenstelling tot iedereen van 21 jaar of ouder. Dit onderscheid is goed verklaarbaar. De ouders zijn financieel verantwoordelijk én voor deze jongeren wordt voorzien in onderdak en eten.
Jongeren tot 27 jaar

Jongeren tot 27 hebben geen recht op bijstand als ze ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen en aanspraak hebben op studiefinanciering, of als ze dit onderwijs wel kunnen volgen, geen aanspraak hebben op studiefinanciering en het onderwijs niet volgen. Met andere woorden, als ze naar school kunnen moeten ze dat doen. Hebben ze geen aanspraak op studiefinanciering, dan krijgen ze wel bijstand. Hebben ze wel aanspraak op studiefinanciering, dan is dat een voorliggende voorziening. De bemoeienis van de gemeente houdt daar op.
Ook heeft geen recht op bijstand de jongere onder de 27 jaar die ondubbelzinnig laat blijken (gedrag en houding) dat hij de arbeidsverplichtingen en de nadere verplichtingen die tot vermindering of beëindiging van de bijstand leiden niet wil nakomen. Dit laatste is overigens een weinig gebruikte reden om de bijstand te weigeren. De Centrale Raad is behoorlijk streng bij het beoordelen van deze weigeringsgrond.
Tot slot is de individuele studietoeslag specifiek bedoeld voor jongeren tot 27 jaar die recht hebben op studiefinanciering of een tegemoetkoming scholieren, geen in aanmerking te nemen vermogen hebben en waarvan is vastgesteld dat zij niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon te verdienen (dat kan het gevolg zijn van een verminderde loonwaarde of van een medische urenbeperking), maar wel mogelijkheden hebben tot arbeidsparticipatie.

Normen

Voor jongeren tot 21 jaar gelden lagere normen. Dat is niet gek, aangezien hun ouders financieel verantwoordelijk zijn tot de dag waarop jongeren de leeftijd van 21 jaar bereiken. En mocht er een reden zijn waarom de jongere niet rond kan komen van deze specifieke norm, dan zijn er twee mogelijkheden om dit aan te vullen. De eerste is de bijzondere bijstand voor levensonderhoud. Dit is specifiek bedoeld voor de jongere die de onderhoudsplicht niet te gelde kan maken omdat of zijn ouders het geld niet hebben, of omdat hij dit redelijkerwijs niet te gelde kan maken, bijvoorbeeld als de relatie ernstig verstoord is. De gemeente kan de betaalde bijzondere bijstand dan wel alsnog op zijn ouders verhalen.

Juist vanwege deze onderhoudsplicht gelden jongeren tot 21 jaar niet als kostendelende medebewoner. Dat zou heel onlogisch zijn. Ouders moeten de jongeren financieel ondersteunen en tegelijkertijd een bijdrage vragen in de woonkosten.

Voor schoolverlaters kan het college de norm gedurende 6 maanden na afloop van de studie verlagen. De gedachte hierachter is dat deze persoon tijdens zijn studie lagere kosten van bestaan had. Er hoeft niet onderzocht te worden of deze persoon echt lagere kosten van bestaan had en of hij de studiefinanciering of WTOS daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook het feit dat de schoolverlater tijdens zijn studie via stagevergoedingen of inkomsten uit bijbaantjes extra middelen heeft gehad, waardoor de terugval op minimumniveau wel een echte terugval betekent, maakt niet dat de schoolverlaterskorting niet zou mogen worden toegepast.

“Jongeren die van de Participatiewet verplicht naar school moeten, mogen soms van hun schuldhulpverlener juist niet naar school.”

Stimuleren om werk te aanvaarden

De Participatiewet kent een aantal maatregelen om het aanvaarden van werk te stimuleren of om mensen klaar te stomen voor de arbeidsmarkt. Voor mensen met een kleine kans op werk en die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn naar werk, kan een participatieplaats (ook wel terugkeerbaan) worden ingezet. Het doel van deze participatieplaats is het opdoen van werkervaring door het verrichten van additionele werkzaamheden. Jongeren onder de 27 jaar mogen geen gebruik maken van de participatieplaatsen. Dat is zonde, want als iemand goed zijn best doet op zijn participatieplaats, dan heeft hij na 6 maanden recht op een premie. Bovendien moet het college beoordelen of de werkzoekende scholing of een opleiding kan volgen om de kans op betaald werk te vergroten.

Daarnaast zijn er 2 instrumenten die juist in het voordeel van jongeren onder de 27 jaar werken. Ten eerste een instrument dat specifiek ingezet kan worden voor jongeren van 16 tot 27, namelijk de leer-werktrajecten. Dit houdt in dat jongeren die nog leerplichtig zijn of nog geen startkwalificatie hebben en jonger zijn dan 27 jaar, ondersteund kunnen worden bij het volgen van een leer-werktraject. Ten tweede kunnen leerlingen en voormalige leerlingen in het praktijkonderwijs (pro) zonder medische en arbeidsdeskundige beoordeling opgenomen worden in het doelgroepregister. Wie is opgenomen in het doelgroepregister valt onder de banenafspraak. Dit kan voor een werkgever een reden zijn om iemand in dienst te nemen: het levert dus een grotere kans op een baan op.

Tot slot zijn er nog een aantal financiële prikkels om werk te aanvaarden. Deze gelden niet voor jongeren onder de 27 jaar. Het gaat hierbij om de volgende instrumenten. De één of tweemalige premie voor arbeidsinschakeling. Het gaat hier om een premie die door het college, het re-integratiebedrijf of de werkgever verstrekt mag worden van maximaal € 2.500 per jaar. Krijgt de jongere deze premie, dan wordt dit gewoon als middel aangemerkt. De 27-plussers mogen dit geld gewoon houden. Datzelfde geldt voor de kostenvergoeding van maximaal € 1.700 op jaarbasis voor het verrichten van vrijwilligerswerk en de vrijlating van inkomsten uit arbeid. De achterliggende reden daarvan is dat jongeren worden geacht òf een scholing/studie te volgen, òf te werken. Op die vrijlating geldt één uitzondering, de vrijlating voor mensen die urenbeperkt zijn geldt wel voor jongeren. Ook de jonggehandicaptenkorting moet voor jongeren als middel worden gekort op de uitkering en voor 27-plussers wordt dit vrijgelaten.

Waar schuurt dat?

Er wordt onderscheid gemaakt op leeftijd. Dat is toelaatbaar als het onderscheid een legitiem doel betreft en het middel voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk is (zie: Leeftijdsgrens van 27 jaar in de Participatiewet, leeftijdsdiscriminatie?). Nu het CBS aangeeft dat het aantal jongeren tot 27 jaar met een bijstandsuitkering harder gestegen is dan het aantal 27-45-jarigen, is het zeker de vraag of dit onderscheid gerechtvaardigd is.

De aanvraag – zoekperiode voor kwetsbare jongeren

Alleen aan jongeren tot 27 jaar wordt een zoekperiode opgelegd. Achterliggende gedachte is dat van deze groep mag worden verwacht dat ze werken of leren en zelf in staat zijn om extra inzet te leveren. Gezien de nieuwe doelgroep in de Participatiewet is het de vraag of die verwachting terecht is. Op 27 maart 2018 is de motie Voortman aangenomen. Daarin is geconstateerd dat de zoekperiode in de Participatiewet negatieve gevolgen kan hebben voor kwetsbare jongeren. Voortman is van mening dat deze jongeren ondersteund moeten worden en niet aan hun lot moeten worden overgelaten en overweegt dat gemeentes weinig beleidsvrijheid ervaren op dit punt. De motie verzoekt de regering daarom om richting gemeentes te verduidelijken dat zij alle ruimte hebben om waar nodig de zoekperiode te schrappen.

Recht op bijstand – scholing

Jongeren die van de Participatiewet verplicht naar school moeten, mogen soms van hun schuldhulpverlener juist niet naar school. Een opleiding betekent studiefinanciering in de vorm van een lening. Dat is én een nieuwe schuld, én minder afloscapaciteit voor de schuldeisers. Deze aanvullende voorwaarde geldt niet voor 27-plussers, waardoor jongeren minder kans hebben op adequate hulp bij hun schuldenproblematiek. Dit kan de gemeente oplossen door in het beleid op te nemen dat voor jongeren met schulden scholing in beginsel alleen mogelijk is als de schuldregeling daardoor niet in gevaar komt.

De individuele studietoeslag, bedoeld voor jongeren die door hun beperking meer moeite hebben om hun studie af te ronden, is overgekomen uit de Wajong. De bedragen die gemeenten aan deze studenten betalen, liggen echter vele malen lager dan voorheen in de Wajong. Met bedragen die rond de € 200,- op jaarbasis liggen, is dit geen wezenlijke inkomensaanvulling.

Normen – aantoonplicht

Een verstoorde relatie met je ouders is niet fijn. Als je dan bijstand aanvraagt, dan kan het heel ongemakkelijk zijn om aan te tonen waarom je geen ouderbijdrage van je ouders kunt vragen. Zeker als in de tijd die dat kost de rekeningen zich op blijven stapelen.

De korting voor schoolverlaters zal relatief weinig problemen opleveren, nu het om een beperkte periode gaat. Het is wel van belang dat per persoon wordt beoordeeld of er geen dringende redenen zijn om af te zien van deze korting. Als de vaste lasten te hoog zijn voor de norm, dan is de verlaging niet aan de orde.

Wat wel lastig is, is de overgang van kinderbijslag naar de jongerennorm. De kinderbijslag wordt per kwartaal betaald en kan dus doorlopen na de 18e verjaardag van de jongeren. Voor de ouders wordt kinderbijslag niet als middel aangemerkt, voor de 18-jarige wel. In theorie zou dit dus gekort moeten worden.

Tot slot zit er een knelpunt voor jongeren met beperkingen die zelfstandig willen wonen. Door allerlei nieuwe vormen van begeleid wonen en inrichtingen, ontstaan er problemen. Jongeren die in een inrichting zitten hebben tot hun 21e geen recht op bijstand, daarna alleen recht op de zak- en kleedgeldnorm. Dat is een veel lagere norm, gebaseerd op de situatie dat er geen huur en eten betaald hoeft te worden. Maar steeds meer instellingen vragen wel huur en dat kan niet betaald worden vanuit de zak- en kleedgeldnorm. Dat vraagt om meer individualisering.

Stimuleren om werk te aanvaarden

Jongeren mogen geen vergoeding voor gemaakte onkosten van vrijwilligerswerk houden, 27-plussers wel. De vraag is of dat onderscheid terecht is met de huidige groep jongeren binnen de bijstand. Zo is niet zonder meer aan te nemen dat vrijwilligerswerk voor jongeren de kansen op betaald werk minder vergroot dan voor 27-plussers. En het is ook niet ondenkbaar dat binnen de groep jongeren die nu onder de Participatiewet vallen, ook jongeren zijn voor wie vrijwilligerswerk op korte termijn het maximaal haalbare is.

Ditzelfde geldt voor de vrijlatingen van inkomsten uit arbeid. Waarom stimuleert dit 27-plussers wel om hun werkzaamheden uit te breiden en jongeren niet? Ik moet u het antwoord daarop schuldig blijven.

Nog een laatste – maar zeker niet onbelangrijk feit – ook jongeren die niet in aanmerking komen voor een uitkering op grond van hun inkomen of vermogen, kunnen wel ondersteuning krijgen bij het zoeken naar werk. Met name voor jonggehandicapten met wat vermogen of een partner met inkomen is het zonder die hulp ontzettend moeilijk om werk te vinden. Deze groep is door de wijzigingen in de Wajong steeds meer uit beeld geraakt.1 Deze jongeren komen niet vanzelf naar de gemeente toe. De gemeente zal ze moeten opzoeken en actief ondersteuning moeten aanbieden.

“De laatste jaren zijn de inkomensconsulenten getraind op het dichthouden van de poort.”

Integraal werken voor een aparte doelgroep

Voor jongeren geldt zoals gezegd op een aantal onderdelen een ander regime dan voor 27-plussers. Hoe kunt u er ondanks die verschillen toch voor zorgen dat u integrale dienstverlening biedt? Juist voor jongeren is dat ontzettend belangrijk.

Help jongeren om bijstand te krijgen

Lange tijd zijn de inkomensconsulenten getraind op het dichthouden van de poort. En terecht, want het is belangrijk om de schaarse bijstandsmiddelen te geven aan die mensen die het nodig hebben. Dat betekent dat de poort dicht moet blijven voor wie geen bijstand nodig heeft. Maar het betekent ook dat de deur wijd open gezet moet worden voor wie wel bijstand nodig heeft maar moeite heeft om zelfstandig de drempel over te komen. Uit het rapport ‘Met 18 jaar ben je (niet) volwassen’ van de ISZW blijkt dat met name jongeren die in een instelling of pleeggezin verblijven en die te maken hebben met meervoudige problematiek vaak niet goed terecht komen. Jongeren zijn zorgmoe en willen zelf en zonder hulp een nieuwe start maken. Eenmaal uit de jeugdhulp blijkt de overstap naar een zelfstandig bestaan voor deze jongeren groot. Eén van de obstakels die ze kunnen tegenkomen is het aanvragen van een bijstandsuitkering. Dit obstakel kunnen ze vaak zonder hun jeugdhulpverlener niet overwinnen. En dat is natuurlijk wonderlijk, want niet de jeugdhulpverlener, maar de klantmanager (werk en) inkomen is hierin gespecialiseerd en zou de jongeren uitstekend door het aanvraagproces moeten kunnen loodsen. Gelukkig zie ik steeds meer gemeenten die de dienstverlening aan inwoners in een kwetsbare positie sterk verbeteren.

Een aantal concrete zaken kunt u in ieder geval oppakken om deze kwetsbare jongeren te helpen (bron: Inspectie SZW):

Kijk direct bij de melding om wat voor jongere het gaat. Is het een kwetsbare jongere? Wacht dan niet met ondersteuning tot de zoekperiode van 4 weken is afgelopen, maar start direct met de ondersteuning.
Is de jongere al met 16 of 17 jaar in beeld? Heel mooi! Dan kunt u goed zorgen voor een soepele overgang. Ga bijvoorbeeld bij het VSO kijken welke jongeren mogelijk de bijstand instromen.
Ligt er een plan van een (andere) hulpverlener? Sluit daar dan bij voorkeur op aan. Het is voor een jongere natuurlijk onbegrijpelijk als hij verschillende plannen moet uitvoeren die los van elkaar en zonder samenhang zijn opgesteld. Die samenhang bewaken is het probleem van de professionals, niet van de jongere.
Kan de jongere zijn onderhoudsplicht niet te gelde maken? Zorg dat u de situatie zo snel mogelijk beoordeelt. Als deze jongere geen ondersteuning van zijn ouders krijgt, dan wordt het onmogelijk om rond te komen van de jongerennorm. Het is zonde als gedurende een lang onderzoek de financiële problemen zich opstapelen.

bron https://www.binnenlandsbestuur.nl/sociaal/kennispartners/stimulansz/jongeren-in-de-bijstand-–-terecht-een-aparte.10321295.lynkx? Evelien Meester

Alarmlijn voor slachtoffers huwelijksdwang en achterlating

Het is weer zomervakantie! Tijd voor een gezellige vakantie met je gezin of familie. Een leuke periode, maar helaas niet voor iedereen. Ieder jaar weer worden Nederlandse meisjes en jongens door hun ouders achtergelaten in het buitenland of gedwongen te trouwen.

Het Ministerie van Buitenlandse Zaken staat slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating bij en zet zich – samen met het Landelijk Knooppunt Huwelijksdwang en Achterlating (LKHA) – in voor een veilige terugkeer naar Nederland. Het ministerie is 24/7 bereikbaar voor de in het buitenland achtergelaten kinderen en tieners via het 24/7 BZ noodnummer +31 247 247 247 en via WhatsApp.

Het is belangrijk dat slachtoffers van huwelijksdwang en achterlating weten hoe ze vanuit het buitenland hulp kunnen krijgen. Daarom start het ministerie van Buitenlandse Zaken vandaag een campagne om het 24/7 BZ noodnummer bij jongeren onder de aandacht te brengen. Via dat nummer kunnen slachtoffers vanuit het buitenland met een telefoontje of een Whatsappbericht direct contact krijgen met de ambassade.

Hulp van de ambassade
Wanneer een slachtoffer zich meldt bij Buitenlandse Zaken volgt direct actie. Medewerkers op de ambassades hebben kennis van deze problematiek en houden contact met de vaak minderjarige slachtoffers, adviseren hen, en regelen zaken in contacten met de lokale autoriteiten en hulporganisaties. In Den Haag werkt het ministerie samen met het LKHA aan de veilige terugkeer naar Nederland van deze slachtoffers. Het LKHA onderhoudt de nodige contacten in Nederland, bijvoorbeeld met de Raad voor de Kinderbescherming.

Elk verhaal is anders. Het helpen van deze jongeren betekent dus dat het ministerie samen met het LKHA maatwerk moet leveren. Soms worden jongeren tegen hun wil achtergelaten in het buitenland, bijvoorbeeld bij familie die niet (goed) voor ze zorgt, mogen ze niet naar school of worden ze gedwongen te trouwen met iemand die ze niet kennen. Het komt ook voor dat kinderen of tieners worden achtergelaten op een hele strenge kostschool, of zelfs op straat worden achtergelaten.

Vaak hebben slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang naast de Nederlandse nationaliteit ook de nationaliteit van het land waar ze zijn achtergelaten. Dat maakt het soms moeilijk om ze te helpen, omdat de autoriteiten deze jongeren vaak als een eigen burger beschouwen. Bemoeienis van Nederland wordt dan in sommige gevallen gezien als ongewenst. Achterlating en gedwongen huwelijken komen veelal voor in landen waar de situatie niet stabiel is, zoals Pakistan, Irak, Somalië en Soedan.

Het is niet altijd even makkelijk, maar het ministerie zet alles op alles om deze jongeren uit hun benarde situatie te krijgen. Het is heel belangrijk dat slachtoffers van achterlating of huwelijksdwang in het buitenland weten dat ze altijd een beroep kunnen doen op de Nederlandse ambassade in het land waar ze terecht zijn gekomen.

De campagne
Buitenlandse Zaken brengt de komende weken via Instagram en Snapchat het 24/7 BZ noodnummer actief onder de aandacht van jongeren. Het ministerie krijgt daarbij hulp van vloggers en influencers zoals @youstoub @callmenargis en @carmenleenen.

Nieuw crisisnummer voor jeugdhulp in Zuid-Limburg

Vanaf 1 juli 2019 nieuw crisisnummer voor jeugdhulp in Zuid-Limburg
Sinds 1 juli is in Zuid-Limburg één team verantwoordelijk voor de hele aanpak van crisishulp aan kinderen en jongeren. Van de telefonische crisismelding tot en met het bieden van de juiste crisiszorg (ambulant en/of met verblijf).

Dit team is een samenwerkingsverband van XONAR, Mondriaan en Koraal. Het team Crisishulp Jeugd Zuid-Limburg is bereikbaar via het nummer: 043-6045777.

Crisissituaties kunnen 24/7 gemeld worden bij het telefonische meldpunt van Crisishulp Jeugd Zuid-Limburg. Het meldpunt kijkt op basis van de informatie of het nodig is om binnen 2 uur bij de jongere of het gezin thuis een inschatting te maken. Als er inderdaad sprake is van een crisis, wordt de juiste hulp ingezet voor maximaal 4 weken. Een crisissituatie duurt per definitie nooit lang. Als de veiligheid is hersteld, spreken we namelijk niet meer van crisis.

Wanneer is er sprake van een crisis?
Bij een crisis gaat het om zeer urgente situaties, oftewel als we ‘vandaag niets doen’ is de kans op een ernstige calamiteit groot. Belangrijke criteria zijn:

Is de situatie onveilig voor de jeugdige en zijn omgeving?
Lopen we risico op het ontstaan van blijvende schade voor betrokkenen?
de vraag ‘Wat is er vandaag anders dan gisteren?’
Geen crisis, maar wel behoefte aan acute zorg
Bij situaties die ‘tot morgen’ kunnen wachten, is er geen sprake van een crisis maar van acute zorg. Ook dan is het belangrijk dat er snel de juiste hulp komt, dit loopt dan onder meer via de gemeente en of doorverwijzers.

Meer informatie over jeugdhulp? Kijk op https://www.sittard-geleen.nl/Inwoners/Jeugd/Jeugdhulp.

bron : https://www.sittard-geleen.nl/Inwoners/Actueel/Nieuws_en_persberichten/Juli_2019/Vanaf_1_juli_2019_nieuw_crisisnummer_voor_jeugdhulp_in_Zuid_Limburg

mis je mei ?

Vandaag begint de themamaand ´Mis je Mei?´ waarin de politie extra aandacht vraagt voor vermisten. Weet u wat de politie doet rond vermissingen? En wat u kunt doen als bijvoorbeeld een bekende van u vermist raakt in het buitenland? Kortom, wist u dat…´

… 24 uur wachten bij vermissingen een fabeltje is? 
Bij veel mensen heerst de hardnekkige gedachte dat de politie pas na 24 uur gaat zoeken naar een vermiste. Dit is niet waar. De eerste 24 uur zijn juist cruciaal. Het klopt dat veel weglopers na enkele uren weer terugkomen. Daarom bekijken we bij een vermissing goed wat onze volgende stappen worden. Bij iedere vermissing wordt het verhaal goed aangehoord en wordt een zo goed mogelijke inschatting gemaakt. Het is daarbij belangrijk dat de politie gelijk alle informatie krijgt die iets over de urgentie van de vermissing kan zeggen.
De meeste vermissingen van kinderen worden binnen 6 uur na de vermissing gemeld bij de politie.
… bij het zoeken naar vermisten personen ook een helikopter kan worden ingezet? Bij urgente vermissingen wordt met regelmaat een helikopter ingezet van de Luchtvaart Politie. In veel gevallen kan deze ´heliview´ een goede bijdrage leveren aan het opsporen van vermiste personen. Zo is de heli uitgerust met high-tech camera’s waaronder een warmtebeeldcamera.
De helikopter is echter geen wondermiddel en heeft ook zijn beperkingen. De camera kan niet door bladeren kijken en het voertuig heeft een beperkte vliegduur. Tevens kan het weer een rol spelen bij het wel of niet kunnen vliegen.
In de toekomst zullen in de gebieden die zich daar voor lenen en waar de omstandigheden het toelaten vanuit het project Onbemande Luchtvaartuigen steeds vaker drones bij zoekacties worden ingezet.
Iedere inzet is maatwerk.
… er naast Amber Alert ook andere oproepen mogelijk zijn? Vermissingen kunnen op verschillende manieren bij het publiek onder de aandacht worden gebracht. Denk bijvoorbeeld aan Burgernet, Vermist Kind Alert en Amber Alert.
Burgernet kan snel door de meldkamer worden ingezet. Dit is heel lokaal. Het gaat om verspreiding van politieberichten binnen een postcodegebied, wijk of (gedeelte van een) stad.
Vermist Kind Alert is onderdeel van Amber Alert maar niet landelijk. Het gebied is groter dan Burgernet. Denk hierbij aan een stad of gebied met meerdere steden. Ook wordt hierbij niet het landelijke sms-alert uitgezonden. Dit kan worden ingezet bij ernstige zorgen om het welzijn van het vermiste kind.
Amber Alert is het landelijke alerteringssysteem. Dit alert bereikt ongeveer 12 miljoen mensen en kan worden ingezet bij een vermist of ontvoerd kind waarbij het sterke vermoeden is dat dit in levensgevaar verkeert.
Alle inzetten worden zorgvuldig overwogen dus als een middel niet wordt ingezet, is dit vanwege een reden waar de politie vaak geen openheid over kan geven.
… u een vermissing in het buitenland ook kunt melden? Soms raken Nederlanders vermist in het buitenland. Een dergelijke vermissing kan ingewikkeld zijn. Wat moet iemand dan doen? Het is raadzaam om deze vermissing bij de politie te melden, en vooral aan te geven waarom er zorgen bestaan over iemand. De politie kan via haar Internationaal Rechtshulp Centrum contact zoeken met een buitenlandse overheid. Burgers kunnen de vermissing ook melden bij het Ministerie van Buitenlandse zaken. Daar zijn ze 24 uur per dag, 7 dagen per week bereikbaar via het 24/7 BZ contactcenter, telefoonnummer: +31247247247.
Buitenlandse Zaken doet zelf geen onderzoek maar kan contact opnemen met de lokale autoriteiten.
Wilt u in het buitenland gaan zoeken neem dan eerst contact op met de (reis)verzekeringsmaatschappij.
Slachtofferhulp Nederland kan ondersteuning bieden aan achterblijvers van (langdurige) vermissingen.

bron : facebook https://www.facebook.com/zoekjemee/photos/a.194407694042811/1265550236928546/?type=3&theater

Links

Deze site gebruikt diverse soorten cookies.Meer informatie
Als je deze site gebruikt, ga je akkoord met het gebruik van cookies.